Sonnet 1 - William Shakespeare (1609)

 

From fairest creatures we desire increase,
That thereby beauty's rose might never die,
But as the riper should by time decease
His tender heir might bear his memory.
But thou, contracted to thine own bright eyes,
Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel,
Making a famine where abundance lies,
Thyself thy foe, to thy sweet self too cruel.
Thou that art now the world's fresh ornament
And only herald to the gaudy spring,
Within thine own bud buriest thy content,
And, tender churl, mak'st waste in niggarding.
Pity the world, or else this glutton be,
To eat the world's due, by the grave and thee.

 

Sonnet 2 - William Shakespeare

 

When forty winters shall besiege thy brow
And dig deep trenches in thy beauty's field,
Thy youth's proud livery, so gazed on now,
Will be a tattered weed of small worth held.
Then being asked where all thy beauty lies,
Where all the treasure of thy lusty days,
To say within thine own deep sunken eyes
Were an all-eating shame and thriftless praise.
How much more praise deserved thy beauty's use,
If thou couldst answer: 'This fair child of mine
Shall sum my count and make my old excuse',
Proving his beauty by succession thine.
  This were to be new made when thou art old,
  And see thy blood warm when thou feel'st it cold.


Sonnet 3 - William Shakespeare

 

Look in thy glass and tell the face thou viewest
Now is the time that face should form another,
Whose fresh repair if now thou not renewest,
Thou dost beguile the world, unbless some mother.
For where is she so fair whose uneared womb
Disdains the tillage of thy husbandry?
Or who is he so fond will be the tomb
Of his self-love to stop posterity?
Thou art thy mother's glass, and she in thee
Calls back the lovely April of her prime;
So thou through windows of thine age shalt see,
Despite of wrinkles, this thy golden time.
  But if thou live remembered not to be,
  Die single and thine Image dies with thee.


Sonnet 4 - William Shakespeare

 

Unthrifty loveliness, why dost thou spend
Upon thyself thy beauty's legacy?
Nature's bequest gives nothing, but doth lend,
And being frank, she lends to those are free.
Then, beauteous niggard, why dost thou abuse
The bounteous largesse given thee to give?
Profitless usurer, why dost thou use
So great a sum of sums yet canst not live?
For having traffic with thy self alone,
Thou of thyself thy sweet self dost deceive.
Then how when nature calls thee to be gone,
What acceptable audit canst thou leave?
   Thy unused beauty must be tombed with thee,
   Which, usèd, lives th' executor to be.
 

Sonnet 5 - William Shakespeare

 

Those hours that with gentle work did frame
The lovely gaze where every eye doth dwell
Will play the tyrants to the very same,
And that unfair which fairly doth excel.
For never-resting time leads summer on
To hideous winter, and confounds him there,
Sap checked with frost and lusty leaves quite gone,
Beauty o'er-snowed and bareness everywhere.
Then, were not summer's distillation left
A liquid prisoner pent in walls of glass,
Beauty's effect with beauty were bereft,
Nor it nor no remembrance what it was.
  But flowers distilled, though they with winter meet,
  Lose but their show; their substance still lives sweet.

 
Sonnet 6 - William Shakespeare

 

Then let not winter's ragged hand deface
In thee thy summer ere thou be distilled.
Make sweet some vial, treasure thou some place
With beauty's treasure ere it be self-killed.
That use is not forbidden usury
Which happies those that pay the willing loan;
That's for thyself to breed another thee,
Or ten times happier be it ten for one;
Ten times thyself were happier than thou art
If ten of thine ten times refigured thee.
Then what could death do if thou shouldst depart,
Leaving thee living in posterity?
  Be not self-willed, for thou art much too fair
  To be death's conquest and make worms thine heir.


Sonnet 7 - William Shakespeare

 

Lo, in the orient, when the gracious light
Lifts up his burning head, each under eye
Doth homage to his new appearing sight,
Serving with looks his sacred majesty.
And having climbed the steep up heavenly hill,
Resembling strong youth in his middle age,
Yet mortal looks adore his beauty still,
Attending on his golden pilgrimage.
But when from highmost pitch with weary car
Like feeble age he reeleth from the day,
The eyes ('fore duteous) now converted are
From his low tract, and look another way.
  So thou, thyself out-going in thy noon,
  Unlooked on diest unless thou get a son.

 

 

 

 

 

 

Vertaling - Jules Grandgagnage  (2011)

SONNET 1

Een mooie mens moet ons zijn kinderen geven,
Zijn gratie mag niet als een roos vergaan, 
Het is het kind dat hem doet verder leven
Als hij allang van ons is weggegaan.
Maar jij, gevangen door je eigen beeld,
Jij voedt je vlam met eigen vlees en wezen
Tot niets ons rest, niets dat je hebt gedeeld.
Je zoete zelf hoeft slechts zichzelf te vrezen.
Je siert de aarde als een frisse blom,
De bode van een kakelbonte lente,
Je eigen knop blijft echter dicht en stom
Jij lieve dwaas, bewaart het als een krent.
  Verteer jezelf en wat de wereld toebehoort
  niet in het graf, het ware kindermoord.


Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 2

Na veertig winters, je gezicht doorploegd
Van tijd en weer waar is je schoonheid nu?
Versleten als een kleed dat je eens droeg!
Verdwenen met je praal, jij parvenu!
Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen,
Als iemand er om vraagt dan weet je 't niet.
Of wijs je dan op je verzonken ogen,
Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet?
Een zonde is het dat je zo verspilt
Wat voor je toekomst zoveel had betekend.
Als je kon zeggen:dit kind heb ik gewild,
Het gaf een zin en richting aan mijn leven:
  Zo vindt je bloed een warme levensstroom,
  Waar anders koude wacht als stervensloon.


Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 3

Wat zegt de spiegel waar je nu in kijkt?
Dat je gelaat nu gauw een ander maakt,
Voordat je eens geroemde schoonheid wijkt.
Een dief ben je als je hierin verzaakt.
Want waar is zij wier ongebruikte schoot
Het planten van jouw schone zaad versmaadt?
En wie is die narcist die in de dood
Ons in zijn zelfzucht geen kind nalaat?
Je bent je eigen moeders spiegelbeeld,
En in jouw jeugd ziet men haar schoonheid prijken:
Zo zal ook jij door ouderdom vereelt
Doorheen je rimpels naar jezelf kijken.
  Maar ben je met dit leventje tevree,
  Sterf dan eenzaam, en neem je schoonheid mee.

 
Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 4

Waarom verspil jij dit legaat alleen?
Jouw schoonheidserfenis duurt slechts één leven.
Wat je bezit gaf de natuur in leen,
Met gulle hand, aan hen die zelf geven.
Ik snap niet dat een vrek met mooie snoet, 
Van haar royaal geschenk zo misbruik maakt,
Die som op som leent waar hij niets mee doet,
En toch niets vindt dat hart en leven raakt.
Wie slechts zichzelve mint in het verkeer
Verraadt daardoor zijn eigen mooie ziel,
Want, komt de laatste dag, hoe haal je eer,
Als je niets nalaat, want je bleef steriel?
   Je onbenutte schoonheid sterft in ‘t graf
   Tenzij je die op tijd aan anderen gaf.

 
Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 5

Dezelfde uren die met zachte handen
Jouw aanblik vormden tot ons oogfestijn,
Zullen daarop tekeer gaan als tirannen,
Tot alle schoonheid in die blik verdwijnt.
Want slapeloze Tijd drijft zomer voort
Naar gruwelijke winter, en bedwingt
Het sap met vorst, die ‘t groene blad vermoordt,
Gratie sterft waar barre sneeuw nu blinkt.
Ware het niet dat ‘s zomers distillaat
Haar overleeft, gevangen in het glas,
Dan zou noch haar parfum, noch haar gelaat
Ons nu herinneren aan wat ze was.
  Zelfs als de vorst het bloemschoon heeft vernield,
  Leeft nog het zoet parfum dat haar bezielt.


Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 6

Laat toch niet toe dat winters ruwe klauw
Je zomer sloopt voor je hem distilleert.
Vul voor je sterft fiool met zoete dauw
Die ons je schat aan schoonheid conserveert.
Wat je dan wint dat is geen woekerwinst,
Als wie ontleent aan jou graag vrucht betaalt,
Je eigen evenbeeld dat wordt je kind
Of beter nog het geluk tienmaal herhaald;
Tienmaal gelukkiger dan je hier staat
Als tien van jou tienmaal je beeltenis wint,
Want wat vermag de dood zo je ons verlaat
Als elk kind ons met jouw beeld verbindt?
  Wees niet zo eigenwijs, je bent te mooi
  En noch voor dood of worm geschikte prooi.

 
Vertaling - Jules Grandgagnage

SONNET 7

Aanschouw hoe in het oosten goddelijk licht
Het brandend hoofd verheft en ieder wezen
Zijn ogen baadt in 't majesteitelijk zicht,
Als eerbetoon aan 't vuur dat is herrezen.
Bij het volbrengen van zijn steile klim,
Zijn jonge kracht verspillend in zijn vaart,
Bewondert ieder sterfelijk oog die pelgrim
Op zijn onstuimig gouden bedevaart.
Maar in het zenit eindt zijn heldentocht
En wacht hem slechts de daling naar de nacht,
En elke blik die hem daarnet nog zocht
Kijkt weg van deze grijsaard zonder kracht.
  Als jij zo verder leeft wordt dit je loon,
  Je sterft onbekend, of maakt een zoon.

Maak een Gratis Website met JouwWeb