Victor Hugo: Demain, dès l'aube



 

Demain, dès l’aube, à l’heure où blanchit la campagne,

Je partirai. Vois-tu, je sais que tu m’attends.

J’irai par la forêt, j’irai par la montagne.

Je ne puis demeurer loin de toi plus longtemps.

 

Je marcherai les yeux fixés sur mes pensées,

Sans rien voir au dehors, sans entendre aucun bruit,

Seul, inconnu, le dos courbé, les mains croisées,

Triste, et le jour pour moi sera comme la nuit.

 

Je ne regarderai ni l’or du soir qui tombe,

Ni les voiles au loin descendant vers Harfleur,

Et quand j’arriverai, je mettrai sur ta tombe

Un bouquet de houx vert et de bruyère en fleur.

Vertaling door Jules Grandgagnage (2021)

 

Morgen, bij dageraad

 

Morgen, bij dageraad, als de velden wit worden,

Vertrek ik. Zie je, ik weet dat je op me wacht.

Ik ga door het bos, ik ga door de bergen.

Ik kan niet langer zo ver van je wegblijven.

 

Ik zal lopen met mijn blik gericht op mijn gedachten,

Zonder iets daarbuiten te zien, zonder enig geluid te horen,

Alleen, onbekend, met gebogen rug en gekruiste handen,

Bedroefd, en de dag zal voor mij als de nacht zijn.

 

Ik zal niet kijken naar de gouden gloed van de vallende avond,

Noch de zeilen in de verte die afdalen naar Harfleur,

En als ik aankom, zal ik je op graf 

Een boeket van groene hulst en bloeiende heide leggen.